Allen, die met Anda kerkhoven in een cel, of in de "geneesherenkamer" van het Huis
van Bewaring hebben gezeten, en daar zijn talloze malen werd verplaatst, zijn het er velen, die haar daar ontmoetten, zullen haar in meerdere of mindere mate hebben
bewonderd.
Madeleine, de meest gehate bewaakster, geuniformeerd en gelaarsd, ontlaadde op
"de Katjang", zoals ze Anda noemde, haar rassenhaat en solde met haar om van cel
tot cel.
Binnenkomend zocht dan haar ijzige, staalharde blik Anda en de onderkaak martiaal
vooruitschuivend klonken weer de woorden schel en hard, alsof men op een ketel
sloeg: "Kerkhoven..., pak je spullen". En direct erop volgend jachtend en ophitsend:
" schiet op, snel, ben je nu nog niet klaar".
Uit het hele wezen van deze bewaakster sprak onrust, ongeduld en spanning, heerszucht en machtswellust.
Anda volgde haar bevelen op met starende ogen en schreed rustig, met opgeheven hoofd voor Madeleine uit.
"Wat gaat men met haar doen, waar moet zij nu weer heen" vroegen de achterblijvenden zich af. En al werd haar plekje meestal onmiddellijk door iemand, die pas was binnengebracht ingenomen, toch bleef er na Anda's vertrek een leegte.
Wie miste niet de vriendelijke wijze waarop ze allen tegemoet trad, haar schrijdende gang door cel en luchtkoker, het soepele, elastische manuaal, waarmee ze tijdens de "broodmaaltijden" de op de tafel gevallen broodkruimels tussen duim en wijsvinger
nam en naar de mond bracht, de manier waarop ze met gekruiste benen op oosterse wijze gehurkt zittend zich 's morgens waste en zoals vanzelfsprekend en rustig alle in
de cel voorkomende karweitjes deed; de illegale liedjes, die ze met zachte, wat mat-melodieuze stem zong, terwijl een glimlach om haar lippen speelde.
Anda, met haar gevoelige hart hechtte zich aan haar celgenoten en haar omringende sfeer.
Bij iedere verplaatsing werd zij als 't ware opgeschrikt, de gelegde band met het
vertrouwde in de vijandige omgeving werd op abrupte, ruwe wijze verbroken.
Toen Madeleine haar, 4 dagen voor haar dood, vanuit cel 16 in cel 15 binnenduwde blonken tranen in haar peinzende ogen.
In cel 16 liet zij twee zieken achter, die ze met veel toewijding had verzorgd.
Dat was de eerste keer dat wij tranen in Anda's ogen zagen.
Wie naar haar woorden luisteren kon, bemerkte, dat haar ideeen doorleefd en zelf-
standig doordacht waren. Onder haar celgenoten konden dat slechts enkelen.
Vrijwel allen, zo ook ik, waren meestal te veel in beslag genomen door het nadenken
over de eigen situatie en door het peinzen over de handigste antwoorden bij het
komende verhoor, om geheel open te kunnen staan voor wat zij te zeggen had.
Door de onzekerheid, waarin men leefde, door al de onbekende factoren, die het lot
van onszelf, van onze dierbaren, vrienden en de door ons verzorgden bepaalden,
voelde men zich psychisch in een doolhof.
Daar kwam bij, dat door de leefwijze, vooral in de cellen voor vrouwen op de
mannenafdeling, de lichamelijke en psychische weerstand vrij snel afnam.
De voeding was schraal, eenzijdig en onvoldoende, de stamppot slecht toebereid;
het was toentertijd koud en vochtig; men was voortdurend opgesloten in een kleine
ruimte met onvoldoende ventilatie en werd slechts om de vier dagen gelucht.
Afgesloten van de buitenwereld en de natuur, zonder de verfrissende werking van de
zon, wind en ruimte. dat alles tezamen gaf aan de meer sensibele naturen, vooral in
de avond en de nacht, een gevoel van beklemming, dat onder de morgen zelfs tot
benauwdheid bij de ademhaling steeg; verminderde de werking van de zintuiglijke
functies (o.a. van de reuk), verstoorde tijdelijk de klierwerking, vervaagde de algemene belangstelling, verslapte langzaam aan opmerkzaamheid en denkkracht.