In Groningen wordt Anda Kerkhoven, afkomstig uit Indonesie, als een der meest lichtende
figuren uit het verzet geeerd. Wij drukken hierbij een dier vele brieven af, die zij zelf
vermenigvuldigde en via de brievenbussen verspreidde. Haar moedige houding tijdens haar
arrestatie en verhoor en gedurende haar gevangenisschap zijn in de Groningse Vlam en
Parool indertijd op ontroerende wijze door K. Hendriks en W. ten Have - Van der Werff
beschreven.
Ik sta in een tropisch oerwoud.
Door een wirwar van slingerplanten schemert de blauwe verte,
waar achter steeds nieuwe verrassingen te verwachten zijn;
diepe ravijnen, woeste stromen, grotten, watervallen...
alles getuigt hier van de grootsheid der natuur.
Regenbogen schitteren in de fijn verstoven druppeltjes
van een waterval.
Diepgroen is het mos, en uit de bruine aarde spruit een
vuurrode bloem.
Ik voel me hier thuis, ik zou hier altijd wel willen blijven, in deze heilige ongerepte wildernis.

Ik sta op een bergtop.
Even wordt de blinkende wolkenzee beneden mij verbroken en
schemert de vlakte door een dunne nevelsluier heen in een
zachtblinkende kleurenweelde: zeegroen, smaragdgroen, goud-
groen, omringd door blauwe en violette heuvels.
Het is een gezicht om nooit te vergeten.

Het was een stille, donkere nacht
met fonkelende sterrenpracht,
dat ik dwaalde door een tropisch woud
met zeegroene lichten van molmend hout.

Ik kom in een druipsteengrot.
Alles schittert om mij heen, de druipende kegels boven,
de fijnegeribbelde wand, net een toverpaleis.
Een stalactiet en een stalagmiet zijn saamgesmolten tot
majestueuze, schitterende zuil.

Ik ben aan zee.
Het strand ligt bezaaid met schelpen in kleuren en vormen:
porseleinachtig wit met bruin of wit met zwart gevlekte
hoorntjes, teerrose oesters met fijne witte stralen,
paarlemoeren gaatjesschelpen.
In de diepte fonkelen de luchtblazen der pikzwarte zee-egels
in alle kleuren van het spectrum,
met zo'n intense gloed, als ik nog nooit gezien heb.

Dat zijn de momenten van volmaakt geluk.
En toch......kan dat geluk nooit lang duren.
Het wordt wreed verstoord door de schrijnende vraag:
"Waarom ik alleen?
Waarom zijn er mensen, en dieren op de wereld, die nooit de
kans krijgen dit moois te aanschouwen?"
Mensen, in achterbuurten, steeds opgejaagd door de nood van
de dag, de nooit eindigende strijd om het bestaan,
waarvan het doel henzelf niet eens duidelijk is!
Mensen die geen andere gevoelens kennen, dan angst,
haat en honger, afgunst en strijd tegen een steeds
vijandige buitenwereld.
Dieren, die opgesloten zitten in nauwe hokken, afgestompt
door eindeloze verveling en een ver, maar smartelijk heimwee
naar de vrijheid van vroeger.
Graag zou ik eindeloos vertoeven in het paradijs van
ongerepte natuur, maar ik mag en kan de slachtoffers
daarginds niet aan hun lot overlaten.
Dan ga ik weer naar de stad en protesteer tegen de armoede,
de onderdrukking en de kleinzielige onderlinge
afgunst en agressie...
Ik zoek systemen, die de gelijke rechten voor allen waarborgen, maar men lacht mij uit en noemt dat "Utopieen".
Ik zie de mensen werken aan hun eigen ondergang en tracht
ze over te halen tot dienstweigering, staking en ander
lijdelijk verzet tegen de oorlog en onderdrukking.
Maar de meerderheid is traag en bang, bang, het weinige
te verliezen dat zij menen te bezitten.
De meesten schijnen zeer tevreden met hun helse bestaan.
Dan denk ik aan een spreekwoord dat in mijn H.B.S. agenda
stond: "Zet een kikvors op een gouden stoel,
hij springt toch weer in de poel".
Moet ik dan mijn medemensen in de rotzooi laten stikken,
en zelf de eenzame wildernis in gaan en genieten?
Hier is een oeroud conflict,
het conflict tussen idealisme en egoisme.
Een oeroud conflict.